Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: getuigen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: getuigend
Past participle - Verleden deelwoord: getuigd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | getuig |
| jij | getuigt |
| hij | getuigt |
| wij | getuigen |
| jullie | getuigen |
| zij | getuigen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb getuigd |
| jij | hebt getuigd |
| hij | heeft getuigd |
| wij | hebben getuigd |
| jullie | hebben getuigd |
| zij | hebben getuigd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | getuigde |
| jij | getuigde |
| hij | getuigde |
| wij | getuigden |
| jullie | getuigden |
| zij | getuigden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had getuigd |
| jij | had getuigd |
| hij | had getuigd |
| wij | hadden getuigd |
| jullie | hadden getuigd |
| zij | hadden getuigd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal getuigen |
| jij | zult getuigen |
| hij | zal getuigen |
| wij | zullen getuigen |
| jullie | zullen getuigen |
| zij | zullen getuigen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal getuigd hebben |
| jij | zult getuigd hebben |
| hij | zal getuigd hebben |
| wij | zullen getuigd hebben |
| jullie | zullen getuigd hebben |
| zij | zullen getuigd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou getuigen |
| jij | zou getuigen |
| hij | zou getuigen |
| wij | zouden getuigen |
| jullie | zouden getuigen |
| zij | zouden getuigen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou getuigd hebben |
| jij | zou getuigd hebben |
| hij | zou getuigd hebben |
| wij | zouden getuigd hebben |
| jullie | zouden getuigd hebben |
| zij | zouden getuigd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'getuigen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'getuigen'
aftuigen,
afbuigen,
bevuilen,
buigen,
gebruiken,
gedogen,
gedragen,
geeuwen,
geleiden,
gelukken,
Translations
depose, to give evidence or testimony
testify, to make a declaration, or give evidence, under oath
Sample Sentences
-
[...] oordeelen, dat dikwijls koningen de treurige gevolgen van hunnen verheven stand hebben betreurd, en gewenscht, dat zij in het midden tusschen grootheid en geringheid waren geboren. Het beste boek getuigt ook van het geluk van dezen staat, als de wijze den Hemel smeekt hem noch armoede noch rijkdom te geven. "
(Robinson Crusoe)
-
[...] te onderhandelen. Maar toen de Spanjaard gereed stond om te vertrekken, maakte hij zelf mij een zwarigheid, die aan den eenen kant zoo gegrond was, en aan den anderen kant zoo van zijne opregtheid getuigde, dat ik niet anders dan met hem instemmen kon, en naar zijn raad, de bevrijding zijner makkers, ten minste een half jaar uitstelde. Het geval was namelijk dit. Hij was nu ongeveer eene maand bij mij [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch getugen, from Old Dutch *gitiugon. Equivalent to getuige + -en. See: Old Dutch '*gitiugon'.
Additional Information