flessen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of flessen

The word "flessen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: flessen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: flessend
Past participle - Verleden deelwoord: geflest

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfles
jijflest
hijflest
wijflessen
jullieflessen
zijflessen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geflest
jijhebt geflest
hijheeft geflest
wijhebben geflest
julliehebben geflest
zijhebben geflest

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfleste
jijfleste
hijfleste
wijflesten
jullieflesten
zijflesten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geflest
jijhad geflest
hijhad geflest
wijhadden geflest
julliehadden geflest
zijhadden geflest

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal flessen
jijzult flessen
hijzal flessen
wijzullen flessen
julliezullen flessen
zijzullen flessen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geflest hebben
jijzult geflest hebben
hijzal geflest hebben
wijzullen geflest hebben
julliezullen geflest hebben
zijzullen geflest hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou flessen
jijzou flessen
hijzou flessen
wijzouden flessen
julliezouden flessen
zijzouden flessen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geflest hebben
jijzou geflest hebben
hijzou geflest hebben
wijzouden geflest hebben
julliezouden geflest hebben
zijzouden geflest hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfles

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From fles + -en, a shortening of flessen trekken.

Additional Information