dissen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dissen

The word "dissen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dissen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dissend
Past participle - Verleden deelwoord: gedist

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdis
jijdist
hijdist
wijdissen
julliedissen
zijdissen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedist
jijhebt gedist
hijheeft gedist
wijhebben gedist
julliehebben gedist
zijhebben gedist

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdiste
jijdiste
hijdiste
wijdisten
julliedisten
zijdisten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedist
jijhad gedist
hijhad gedist
wijhadden gedist
julliehadden gedist
zijhadden gedist

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dissen
jijzult dissen
hijzal dissen
wijzullen dissen
julliezullen dissen
zijzullen dissen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedist hebben
jijzult gedist hebben
hijzal gedist hebben
wijzullen gedist hebben
julliezullen gedist hebben
zijzullen gedist hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dissen
jijzou dissen
hijzou dissen
wijzouden dissen
julliezouden dissen
zijzouden dissen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedist hebben
jijzou gedist hebben
hijzou gedist hebben
wijzouden gedist hebben
julliezouden gedist hebben
zijzouden gedist hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdis

Translations

  • diss, to put someone down or show verbal disrespect
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from English diss. See: English 'diss'.

    Additional Information