bruggen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bruggen

The word "bruggen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bruggen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bruggend
Past participle - Verleden deelwoord: gebrugd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbrug
jijbrugt
hijbrugt
wijbruggen
julliebruggen
zijbruggen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebrugd
jijhebt gebrugd
hijheeft gebrugd
wijhebben gebrugd
julliehebben gebrugd
zijhebben gebrugd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbrugde
jijbrugde
hijbrugde
wijbrugden
julliebrugden
zijbrugden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebrugd
jijhad gebrugd
hijhad gebrugd
wijhadden gebrugd
julliehadden gebrugd
zijhadden gebrugd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bruggen
jijzult bruggen
hijzal bruggen
wijzullen bruggen
julliezullen bruggen
zijzullen bruggen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebrugd hebben
jijzult gebrugd hebben
hijzal gebrugd hebben
wijzullen gebrugd hebben
julliezullen gebrugd hebben
zijzullen gebrugd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bruggen
jijzou bruggen
hijzou bruggen
wijzouden bruggen
julliezouden bruggen
zijzouden bruggen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebrugd hebben
jijzou gebrugd hebben
hijzou gebrugd hebben
wijzouden gebrugd hebben
julliezouden gebrugd hebben
zijzouden gebrugd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbrug

Verbs similar to 'bruggen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "bruggen"

English bridge.

Additional Information