bijpassen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bijpassen

The word "bijpassen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bijpassen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bijpassend
Past participle - Verleden deelwoord: bijgepast

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpas bij
jijpast bij
hijpast bij
wijpassen bij
julliepassen bij
zijpassen bij

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bijgepast
jijhebt bijgepast
hijheeft bijgepast
wijhebben bijgepast
julliehebben bijgepast
zijhebben bijgepast

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpaste bij
jijpaste bij
hijpaste bij
wijpasten bij
julliepasten bij
zijpasten bij

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bijgepast
jijhad bijgepast
hijhad bijgepast
wijhadden bijgepast
julliehadden bijgepast
zijhadden bijgepast

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bijpassen
jijzult bijpassen
hijzal bijpassen
wijzullen bijpassen
julliezullen bijpassen
zijzullen bijpassen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bijgepast hebben
jijzult bijgepast hebben
hijzal bijgepast hebben
wijzullen bijgepast hebben
julliezullen bijgepast hebben
zijzullen bijgepast hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bijpassen
jijzou bijpassen
hijzou bijpassen
wijzouden bijpassen
julliezouden bijpassen
zijzouden bijpassen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bijgepast hebben
jijzou bijgepast hebben
hijzou bijgepast hebben
wijzouden bijgepast hebben
julliezouden bijgepast hebben
zijzouden bijgepast hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpas bij

Verbs similar to 'bijpassen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information