baffen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of baffen

The word "baffen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: baffen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: baffend
Past participle - Verleden deelwoord: gebaft

Cognates

See the 5 cognates of baffen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbaf
jijbaft
hijbaft
wijbaffen
julliebaffen
zijbaffen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebaft
jijhebt gebaft
hijheeft gebaft
wijhebben gebaft
julliehebben gebaft
zijhebben gebaft

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbafte
jijbafte
hijbafte
wijbaften
julliebaften
zijbaften

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebaft
jijhad gebaft
hijhad gebaft
wijhadden gebaft
julliehadden gebaft
zijhadden gebaft

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal baffen
jijzult baffen
hijzal baffen
wijzullen baffen
julliezullen baffen
zijzullen baffen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebaft hebben
jijzult gebaft hebben
hijzal gebaft hebben
wijzullen gebaft hebben
julliezullen gebaft hebben
zijzullen gebaft hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou baffen
jijzou baffen
hijzou baffen
wijzouden baffen
julliezouden baffen
zijzouden baffen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebaft hebben
jijzou gebaft hebben
hijzou gebaft hebben
wijzouden gebaft hebben
julliezouden gebaft hebben
zijzouden gebaft hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbaf

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "baffen"

English baff.

Additional Information