afmatten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afmatten

The word "afmatten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afmatten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afmattend
Past participle - Verleden deelwoord: afgemat

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmat af
jijmat af
hijmat af
wijmatten af
julliematten af
zijmatten af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgemat
jijhebt afgemat
hijheeft afgemat
wijhebben afgemat
julliehebben afgemat
zijhebben afgemat

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmatte af
jijmatte af
hijmatte af
wijmatten af
julliematten af
zijmatten af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgemat
jijhad afgemat
hijhad afgemat
wijhadden afgemat
julliehadden afgemat
zijhadden afgemat

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afmatten
jijzult afmatten
hijzal afmatten
wijzullen afmatten
julliezullen afmatten
zijzullen afmatten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgemat hebben
jijzult afgemat hebben
hijzal afgemat hebben
wijzullen afgemat hebben
julliezullen afgemat hebben
zijzullen afgemat hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afmatten
jijzou afmatten
hijzou afmatten
wijzouden afmatten
julliezouden afmatten
zijzouden afmatten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgemat hebben
jijzou afgemat hebben
hijzou afgemat hebben
wijzouden afgemat hebben
julliezouden afgemat hebben
zijzouden afgemat hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmat af

Verbs similar to 'afmatten'

Translations

  • abrade, to wear down
  • fatigue, to tire or make weary
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From af + matten.

    Additional Information