zeveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zeveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zeveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zeverend
Past participle - Verleden deelwoord: gezeverd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzever
jijzevert
hijzevert
wijzeveren
julliezeveren
zijzeveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezeverd
jijhebt gezeverd
hijheeft gezeverd
wijhebben gezeverd
julliehebben gezeverd
zijhebben gezeverd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzeverde
jijzeverde
hijzeverde
wijzeverden
julliezeverden
zijzeverden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezeverd
jijhad gezeverd
hijhad gezeverd
wijhadden gezeverd
julliehadden gezeverd
zijhadden gezeverd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zeveren
jijzult zeveren
hijzal zeveren
wijzullen zeveren
julliezullen zeveren
zijzullen zeveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezeverd hebben
jijzult gezeverd hebben
hijzal gezeverd hebben
wijzullen gezeverd hebben
julliezullen gezeverd hebben
zijzullen gezeverd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zeveren
jijzou zeveren
hijzou zeveren
wijzouden zeveren
julliezouden zeveren
zijzouden zeveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezeverd hebben
jijzou gezeverd hebben
hijzou gezeverd hebben
wijzouden gezeverd hebben
julliezouden gezeverd hebben
zijzouden gezeverd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzever

Translations

  • dribble, to let saliva drip from the mouth
  • gossip, to talk idly
  • natter, to talk idly
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch sêveren. Equivalent to zever + -en.

    Additional Information