Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: wikkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wikkelend
Past participle - Verleden deelwoord: gewikkeld
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | wikkel |
| jij | wikkelt |
| hij | wikkelt |
| wij | wikkelen |
| jullie | wikkelen |
| zij | wikkelen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gewikkeld |
| jij | hebt gewikkeld |
| hij | heeft gewikkeld |
| wij | hebben gewikkeld |
| jullie | hebben gewikkeld |
| zij | hebben gewikkeld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | wikkelde |
| jij | wikkelde |
| hij | wikkelde |
| wij | wikkelden |
| jullie | wikkelden |
| zij | wikkelden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gewikkeld |
| jij | had gewikkeld |
| hij | had gewikkeld |
| wij | hadden gewikkeld |
| jullie | hadden gewikkeld |
| zij | hadden gewikkeld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal wikkelen |
| jij | zult wikkelen |
| hij | zal wikkelen |
| wij | zullen wikkelen |
| jullie | zullen wikkelen |
| zij | zullen wikkelen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gewikkeld hebben |
| jij | zult gewikkeld hebben |
| hij | zal gewikkeld hebben |
| wij | zullen gewikkeld hebben |
| jullie | zullen gewikkeld hebben |
| zij | zullen gewikkeld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou wikkelen |
| jij | zou wikkelen |
| hij | zou wikkelen |
| wij | zouden wikkelen |
| jullie | zouden wikkelen |
| zij | zouden wikkelen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gewikkeld hebben |
| jij | zou gewikkeld hebben |
| hij | zou gewikkeld hebben |
| wij | zouden gewikkeld hebben |
| jullie | zouden gewikkeld hebben |
| zij | zouden gewikkeld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'wikkelen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'wikkelen'
bikkelen,
pikkelen,
winkelen,
afwikkelen,
cirkelen,
fakkelen,
hakkelen,
hinkelen,
inwikkelen,
kikkeren,
Translations
swaddle, to bind a baby
Sample Sentences
-
[...] meel. Dit was eene aangename verrassing voor mij, omdat ik niet verwachtte andere mondbehoeften aan te treffen, dan die door het water bedorven waren. Ik maakte spoedig de ton met beschuit ledig, en wikkelde die in stukken van de zeilen, en, om kort te gaan, ik bragt dit alles, hoewel op verschillende tijden, behouden aan land.
(Robinson Crusoe)
-
[...] waard dan die geheele hoop. Ik kan u niet gebruiken, blijf waar gij zijt, en verzink naar den bodem, als iets, dat niet waardig is gered te worden. " Bij nadere overweging nam ik het echter mede, en wikkelde alles in een stuk zeildoek, en begon te denken om nog een vlot te maken. Toen ik echter hiermede bezig was, betrok de lucht en de wind begon op te steken, en in een kwartier blies het eene stijve [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] op een warmen dag mijn zweet af te droogen. Bovendien vond ik onder in de kist drie groote zakken, te zamen ongeveer elfhonderd stukken van achten bevattende, en zes gouden dubloenen in een papier gewikkeld, en nog eenige kleine staven goud, die ik denk, dat gezamenlijk een pond zouden wegen. In de andere kist waren eenige kleederen, doch van minder waarde; ik denk, dat die aan den konstapelsmaat [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
1. Borrowed from German wickeln.
2. Attested since 1576. See: German, old spelling '
wickeln'.
Additional Information