wemelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wemelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wemelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wemelend
Past participle - Verleden deelwoord: gewemeld

Cognates

See the 3 cognates of wemelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwemel
jijwemelt
hijwemelt
wijwemelen
julliewemelen
zijwemelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewemeld
jijhebt gewemeld
hijheeft gewemeld
wijhebben gewemeld
julliehebben gewemeld
zijhebben gewemeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwemelde
jijwemelde
hijwemelde
wijwemelden
julliewemelden
zijwemelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewemeld
jijhad gewemeld
hijhad gewemeld
wijhadden gewemeld
julliehadden gewemeld
zijhadden gewemeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wemelen
jijzult wemelen
hijzal wemelen
wijzullen wemelen
julliezullen wemelen
zijzullen wemelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewemeld hebben
jijzult gewemeld hebben
hijzal gewemeld hebben
wijzullen gewemeld hebben
julliezullen gewemeld hebben
zijzullen gewemeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wemelen
jijzou wemelen
hijzou wemelen
wijzouden wemelen
julliezouden wemelen
zijzouden wemelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewemeld hebben
jijzou gewemeld hebben
hijzou gewemeld hebben
wijzouden gewemeld hebben
julliezouden gewemeld hebben
zijzouden gewemeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwemel

Translations

  • abound, to be plentiful
  • abound, to be copiously supplied
  • teem, overflowing with
  • teem, to be prolific; to abound
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Attested since the 16th century. Cognate with Westphalian Low German wiëmeln, Middle High German wimelen (hapax, 13th c.), whence German wimmeln. All forms require a Proto-West Germanic *wimilōn, but the late attestations make it difficult to reconstruct such a form. Ultimately related with Old High German wimmen, Old Saxon wemmian (“to gush, sputter, bubble”). See: Low Saxon 'wiëmeln', Middle High German 'wimelen', German, old spelling 'wimmeln'.

    Verbs referencing "wemelen"

    German, old spelling wimmeln, Swedish vimla.

    Additional Information