Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: weerstaan
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: weerstaand
Past participle - Verleden deelwoord: weerstaan
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | weersta |
| jij | weerstaat |
| hij | weerstaat |
| wij | weerstaan |
| jullie | weerstaan |
| zij | weerstaan |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb weerstaan |
| jij | hebt weerstaan |
| hij | heeft weerstaan |
| wij | hebben weerstaan |
| jullie | hebben weerstaan |
| zij | hebben weerstaan |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | weerstond |
| jij | weerstond |
| hij | weerstond |
| wij | weerstonden |
| jullie | weerstonden |
| zij | weerstonden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had weerstaan |
| jij | had weerstaan |
| hij | had weerstaan |
| wij | hadden weerstaan |
| jullie | hadden weerstaan |
| zij | hadden weerstaan |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal weerstaan |
| jij | zult weerstaan |
| hij | zal weerstaan |
| wij | zullen weerstaan |
| jullie | zullen weerstaan |
| zij | zullen weerstaan |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal weerstaan hebben |
| jij | zult weerstaan hebben |
| hij | zal weerstaan hebben |
| wij | zullen weerstaan hebben |
| jullie | zullen weerstaan hebben |
| zij | zullen weerstaan hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou weerstaan |
| jij | zou weerstaan |
| hij | zou weerstaan |
| wij | zouden weerstaan |
| jullie | zouden weerstaan |
| zij | zouden weerstaan |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou weerstaan hebben |
| jij | zou weerstaan hebben |
| hij | zou weerstaan hebben |
| wij | zouden weerstaan hebben |
| jullie | zouden weerstaan hebben |
| zij | zouden weerstaan hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'weerstaan'
aanstaan,
achterstaan,
afstaan,
bestaan,
bijstaan,
doorstaan,
gelijkstaan,
instaan,
ontstaan,
openstaan,
opstaan,
staan,
stilstaan,
terechtstaan,
toestaan,
uitstaan,
vaststaan,
verstaan,
vrijstaan,
weerstaan, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'weerstaan'
verstaan,
bestaan,
doorstaan,
openstaan,
overslaan,
toestaan,
aanstaan,
achterstaan,
afstaan,
beslaan,
Translations
stand, to undergo; withstand; hold up
resist, to withstand actions or effects of
withstand, to resist
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
Wat betreft het naar huis gaan: de schaamte weerstond de beste redenen daartoe; ik stelde mij voor hoe onze bekenden mij zouden uitlagchen, en hoe beschaamd ik zijn zou, niet alleen om mijne ouders, maar ieder ander onder de oogen te treden. Later heb [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] snellen loop zou er aan ontkomen niet te denken zijn geweest. Deze denkbeelden maakten mij soms bitter neêrslagtig. Met schrik dacht ik wat ik in dat geval zou gedaan hebben; zonder hen te kunnen weerstaan, misschien zonder tegenwoordigheid van geest om van mijne eerst na lang nadenken uitgevonden middelen tot verdediging gebruik te maken. Maar ik eindigde met dankbaar aan de Voorzienigheid te zijn, [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] schenen verdwenen, en ik kon mijne gedachten nergens anders op vestigen dan op het ontwerp eener reis naar het vasteland, dat mij met zoo veel kracht en zoo geweldig overviel, dat ik dit niet weerstaan kon.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From weer- + staan.
Verbs referencing "weerstaan"
English
withstand, German, old spelling
widerstehen.
Additional Information