vrijspreken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vrijspreken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vrijspreken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vrijsprekend
Past participle - Verleden deelwoord: vrijgesproken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspreek vrij
jijspreekt vrij
hijspreekt vrij
wijspreken vrij
julliespreken vrij
zijspreken vrij

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb vrijgesproken
jijhebt vrijgesproken
hijheeft vrijgesproken
wijhebben vrijgesproken
julliehebben vrijgesproken
zijhebben vrijgesproken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksprak vrij
jijsprak vrij
hijsprak vrij
wijspraken vrij
julliespraken vrij
zijspraken vrij

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad vrijgesproken
jijhad vrijgesproken
hijhad vrijgesproken
wijhadden vrijgesproken
julliehadden vrijgesproken
zijhadden vrijgesproken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vrijspreken
jijzult vrijspreken
hijzal vrijspreken
wijzullen vrijspreken
julliezullen vrijspreken
zijzullen vrijspreken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal vrijgesproken hebben
jijzult vrijgesproken hebben
hijzal vrijgesproken hebben
wijzullen vrijgesproken hebben
julliezullen vrijgesproken hebben
zijzullen vrijgesproken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vrijspreken
jijzou vrijspreken
hijzou vrijspreken
wijzouden vrijspreken
julliezouden vrijspreken
zijzouden vrijspreken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou vrijgesproken hebben
jijzou vrijgesproken hebben
hijzou vrijgesproken hebben
wijzouden vrijgesproken hebben
julliezouden vrijgesproken hebben
zijzouden vrijgesproken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspreek vrij

Translations

  • absolve, to pronounce free or give absolution
  • clear, to remove from suspicion
  • acquit, to declare or find innocent or not guilty
  • acquit, to discharge (for example, a claim or debt)
  • vindicate, to clear from an accusation, suspicion or criticism
  • exonerate, to free from accusation or blame
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • De rechter heeft de verdachte vrijsproken wegens gebrek aan bewijs. (The judge acquitted the suspect due to lack of evidence.)
    • Na een grondig onderzoek werd de beschuldigde vrijsproken van alle aanklachten. (After a thorough investigation, the accused was absolved of all charges.)
    • Het jurypanel heeft de beklaagde unaniem vrijsproken van de beschuldigingen. (The jury panel unanimously acquitted the defendant of the charges.)
    • Hij werd onterecht beschuldigd, maar uiteindelijk werd hij vrijsproken door de rechtbank. (He was wrongly accused, but in the end, he was acquitted by the court.)
    • Na een langdurig proces werd de verdachte eindelijk vrijsproken van alle aanklachten. (After a lengthy trial, the defendant was finally absolved of all charges.)

    Etymology

    From vrij + spreken.

    Additional Information