vissen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vissen

The word "vissen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vissen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vissend
Past participle - Verleden deelwoord: gevist

Cognates

See the 6 cognates of vissen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvis
jijvist
hijvist
wijvissen
jullievissen
zijvissen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevist
jijhebt gevist
hijheeft gevist
wijhebben gevist
julliehebben gevist
zijhebben gevist

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikviste
jijviste
hijviste
wijvisten
jullievisten
zijvisten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevist
jijhad gevist
hijhad gevist
wijhadden gevist
julliehadden gevist
zijhadden gevist

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vissen
jijzult vissen
hijzal vissen
wijzullen vissen
julliezullen vissen
zijzullen vissen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevist hebben
jijzult gevist hebben
hijzal gevist hebben
wijzullen gevist hebben
julliezullen gevist hebben
zijzullen gevist hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vissen
jijzou vissen
hijzou vissen
wijzouden vissen
julliezouden vissen
zijzouden vissen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevist hebben
jijzou gevist hebben
hijzou gevist hebben
wijzouden gevist hebben
julliezouden gevist hebben
zijzouden gevist hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvis

Translations

  • fish, intransitive: to try to catch fish
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch visschen, from Old Dutch *fiscon, from Proto-West Germanic *fiskōn. Equivalent to vis + -en. See: Old Dutch '*fiscon'.

    Verbs referencing "vissen"

    English fish, Luxembourgish fëschen.

    Additional Information