verzegelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verzegelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verzegelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verzegelend
Past participle - Verleden deelwoord: verzegeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverzegel
jijverzegelt
hijverzegelt
wijverzegelen
jullieverzegelen
zijverzegelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verzegeld
jijhebt verzegeld
hijheeft verzegeld
wijhebben verzegeld
julliehebben verzegeld
zijhebben verzegeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverzegelde
jijverzegelde
hijverzegelde
wijverzegelden
jullieverzegelden
zijverzegelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verzegeld
jijhad verzegeld
hijhad verzegeld
wijhadden verzegeld
julliehadden verzegeld
zijhadden verzegeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verzegelen
jijzult verzegelen
hijzal verzegelen
wijzullen verzegelen
julliezullen verzegelen
zijzullen verzegelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verzegeld hebben
jijzult verzegeld hebben
hijzal verzegeld hebben
wijzullen verzegeld hebben
julliezullen verzegeld hebben
zijzullen verzegeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verzegelen
jijzou verzegelen
hijzou verzegelen
wijzouden verzegelen
julliezouden verzegelen
zijzouden verzegelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verzegeld hebben
jijzou verzegeld hebben
hijzou verzegeld hebben
wijzouden verzegeld hebben
julliezouden verzegeld hebben
zijzouden verzegeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverzegel

Translations

  • seal, to place a seal on (a document)
  • seal, to fasten (something) closed so that it cannot be opened without visible damage
  • seal, to place in a sealed container
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From zegel + ver- -en.

    Additional Information