verstieren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verstieren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verstieren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verstierend
Past participle - Verleden deelwoord: verstierd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverstier
jijverstiert
hijverstiert
wijverstieren
jullieverstieren
zijverstieren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verstierd
jijhebt verstierd
hijheeft verstierd
wijhebben verstierd
julliehebben verstierd
zijhebben verstierd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverstierde
jijverstierde
hijverstierde
wijverstierden
jullieverstierden
zijverstierden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verstierd
jijhad verstierd
hijhad verstierd
wijhadden verstierd
julliehadden verstierd
zijhadden verstierd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verstieren
jijzult verstieren
hijzal verstieren
wijzullen verstieren
julliezullen verstieren
zijzullen verstieren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verstierd hebben
jijzult verstierd hebben
hijzal verstierd hebben
wijzullen verstierd hebben
julliezullen verstierd hebben
zijzullen verstierd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verstieren
jijzou verstieren
hijzou verstieren
wijzouden verstieren
julliezouden verstieren
zijzouden verstieren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verstierd hebben
jijzou verstierd hebben
hijzou verstierd hebben
wijzouden verstierd hebben
julliezouden verstierd hebben
zijzouden verstierd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverstier

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information