versoberen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of versoberen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: versoberen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: versoberend
Past participle - Verleden deelwoord: versoberd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikversober
jijversobert
hijversobert
wijversoberen
jullieversoberen
zijversoberen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb versoberd
jijhebt versoberd
hijheeft versoberd
wijhebben versoberd
julliehebben versoberd
zijhebben versoberd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikversoberde
jijversoberde
hijversoberde
wijversoberden
jullieversoberden
zijversoberden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad versoberd
jijhad versoberd
hijhad versoberd
wijhadden versoberd
julliehadden versoberd
zijhadden versoberd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal versoberen
jijzult versoberen
hijzal versoberen
wijzullen versoberen
julliezullen versoberen
zijzullen versoberen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal versoberd hebben
jijzult versoberd hebben
hijzal versoberd hebben
wijzullen versoberd hebben
julliezullen versoberd hebben
zijzullen versoberd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou versoberen
jijzou versoberen
hijzou versoberen
wijzouden versoberen
julliezouden versoberen
zijzouden versoberen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou versoberd hebben
jijzou versoberd hebben
hijzou versoberd hebben
wijzouden versoberd hebben
julliezouden versoberd hebben
zijzouden versoberd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijversober

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information