Infinitive - Onbepaalde wijs: verliggen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verliggend
Past participle - Verleden deelwoord: verligd
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | verlig |
| jij | verligt |
| hij | verligt |
| wij | verliggen |
| jullie | verliggen |
| zij | verliggen |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb verligd |
| jij | hebt verligd |
| hij | heeft verligd |
| wij | hebben verligd |
| jullie | hebben verligd |
| zij | hebben verligd |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | verligde |
| jij | verligde |
| hij | verligde |
| wij | verligden |
| jullie | verligden |
| zij | verligden |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had verligd |
| jij | had verligd |
| hij | had verligd |
| wij | hadden verligd |
| jullie | hadden verligd |
| zij | hadden verligd |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal verliggen |
| jij | zult verliggen |
| hij | zal verliggen |
| wij | zullen verliggen |
| jullie | zullen verliggen |
| zij | zullen verliggen |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal verligd hebben |
| jij | zult verligd hebben |
| hij | zal verligd hebben |
| wij | zullen verligd hebben |
| jullie | zullen verligd hebben |
| zij | zullen verligd hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou verliggen |
| jij | zou verliggen |
| hij | zou verliggen |
| wij | zouden verliggen |
| jullie | zouden verliggen |
| zij | zouden verliggen |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou verligd hebben |
| jij | zou verligd hebben |
| hij | zou verligd hebben |
| wij | zouden verligd hebben |
| jullie | zouden verligd hebben |
| zij | zouden verligd hebben |
| jij | verlig |