uitvogelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitvogelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitvogelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitvogelend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgevogeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvogel uit
jijvogelt uit
hijvogelt uit
wijvogelen uit
jullievogelen uit
zijvogelen uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgevogeld
jijhebt uitgevogeld
hijheeft uitgevogeld
wijhebben uitgevogeld
julliehebben uitgevogeld
zijhebben uitgevogeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvogelde uit
jijvogelde uit
hijvogelde uit
wijvogelden uit
jullievogelden uit
zijvogelden uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgevogeld
jijhad uitgevogeld
hijhad uitgevogeld
wijhadden uitgevogeld
julliehadden uitgevogeld
zijhadden uitgevogeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitvogelen
jijzult uitvogelen
hijzal uitvogelen
wijzullen uitvogelen
julliezullen uitvogelen
zijzullen uitvogelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgevogeld hebben
jijzult uitgevogeld hebben
hijzal uitgevogeld hebben
wijzullen uitgevogeld hebben
julliezullen uitgevogeld hebben
zijzullen uitgevogeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitvogelen
jijzou uitvogelen
hijzou uitvogelen
wijzouden uitvogelen
julliezouden uitvogelen
zijzouden uitvogelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgevogeld hebben
jijzou uitgevogeld hebben
hijzou uitgevogeld hebben
wijzouden uitgevogeld hebben
julliezouden uitgevogeld hebben
zijzouden uitgevogeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvogel uit

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Compound of uit + vogel + -en.

Additional Information