Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: uitdrukken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitdrukkend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgedrukt
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | druk uit |
| jij | drukt uit |
| hij | drukt uit |
| wij | drukken uit |
| jullie | drukken uit |
| zij | drukken uit |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb uitgedrukt |
| jij | hebt uitgedrukt |
| hij | heeft uitgedrukt |
| wij | hebben uitgedrukt |
| jullie | hebben uitgedrukt |
| zij | hebben uitgedrukt |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | drukte uit |
| jij | drukte uit |
| hij | drukte uit |
| wij | drukten uit |
| jullie | drukten uit |
| zij | drukten uit |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had uitgedrukt |
| jij | had uitgedrukt |
| hij | had uitgedrukt |
| wij | hadden uitgedrukt |
| jullie | hadden uitgedrukt |
| zij | hadden uitgedrukt |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal uitdrukken |
| jij | zult uitdrukken |
| hij | zal uitdrukken |
| wij | zullen uitdrukken |
| jullie | zullen uitdrukken |
| zij | zullen uitdrukken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal uitgedrukt hebben |
| jij | zult uitgedrukt hebben |
| hij | zal uitgedrukt hebben |
| wij | zullen uitgedrukt hebben |
| jullie | zullen uitgedrukt hebben |
| zij | zullen uitgedrukt hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou uitdrukken |
| jij | zou uitdrukken |
| hij | zou uitdrukken |
| wij | zouden uitdrukken |
| jullie | zouden uitdrukken |
| zij | zouden uitdrukken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou uitgedrukt hebben |
| jij | zou uitgedrukt hebben |
| hij | zou uitgedrukt hebben |
| wij | zouden uitgedrukt hebben |
| jullie | zouden uitgedrukt hebben |
| zij | zouden uitgedrukt hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'uitdrukken'
aanbaffen,
aanbikken,
aanblikken,
aandikken,
aandrukken,
aaneenplakken,
aaneenstrikken,
aanfokken,
aankwakken,
aanlokken,
aanpakken,
aanpassen,
aanpikken,
aanplakken,
aanploffen,
aanprikken,
aanschaffen,
aansloffen,
aanstikken,
aanstoffen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'uitdrukken'
uittrekken,
aandrukken,
afdrukken,
dichtdrukken,
drukken,
uitdenken,
uitrusten,
afrukken,
aftrekken,
benadrukken,
Sample Sentences
-
[...] zwarte wolk, in eene heldere vuurvlam zag nederdalen. Hij was geheel en al zoo schitterend als eene vlam, zoo dat ik naauwelijks op hem zien kon; zijn gelaat was ontzaggelijker, dan woorden kunnen uitdrukken; toen hij met zijnen voet op den grond trad, dreunde deze, even als bij de aardbeving, en de geheele lucht scheen als met vuurvlammen bezet. Toen hij op den grond stond trad hij naar mij toe, met [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] jaren gelegen had, was zij door de zon vaneen gespleten, uitgedroogd en half vermolmd. Vrijdag zeide, dat zulk eene boot goed was, en genoeg eten en drinken kon meenemen, zoo als hij zich uitdrukte.
(Robinson Crusoe)
-
Ik zou moeijelijk kunnen uitdrukken hoe het mij trof, toen ik zag hoe krachtig de verrukking en kinderliefde waren bij dezen wilde, toen hij zijn vader, en dat wel van den dood gered wederzag; ik kan inderdaad niet half al de volgende [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch uutdrucken, equivalent to uit (“out”) + drukken (“to press”). In the sense “to express” a calque of Latin exprimere. Compare German ausdrücken. See: Latin '
exprimō', German, old spelling '
ausdrücken'.
Verbs referencing "uitdrukken"
German, old spelling
ausdrücken.
Additional Information