tuinieren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tuinieren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tuinieren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tuinierend
Past participle - Verleden deelwoord: getuinierd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktuinier
jijtuiniert
hijtuiniert
wijtuinieren
jullietuinieren
zijtuinieren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getuinierd
jijhebt getuinierd
hijheeft getuinierd
wijhebben getuinierd
julliehebben getuinierd
zijhebben getuinierd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktuinierde
jijtuinierde
hijtuinierde
wijtuinierden
jullietuinierden
zijtuinierden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getuinierd
jijhad getuinierd
hijhad getuinierd
wijhadden getuinierd
julliehadden getuinierd
zijhadden getuinierd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tuinieren
jijzult tuinieren
hijzal tuinieren
wijzullen tuinieren
julliezullen tuinieren
zijzullen tuinieren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getuinierd hebben
jijzult getuinierd hebben
hijzal getuinierd hebben
wijzullen getuinierd hebben
julliezullen getuinierd hebben
zijzullen getuinierd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tuinieren
jijzou tuinieren
hijzou tuinieren
wijzouden tuinieren
julliezouden tuinieren
zijzouden tuinieren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getuinierd hebben
jijzou getuinierd hebben
hijzou getuinierd hebben
wijzouden getuinierd hebben
julliezouden getuinierd hebben
zijzouden getuinierd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtuinier

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From tuin (“garden”) + -ieren (“verb suffix”).

Additional Information