treuren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of treuren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: treuren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: treurend
Past participle - Verleden deelwoord: getreurd

Cognates

See the 2 cognates of treuren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktreur
jijtreurt
hijtreurt
wijtreuren
jullietreuren
zijtreuren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getreurd
jijhebt getreurd
hijheeft getreurd
wijhebben getreurd
julliehebben getreurd
zijhebben getreurd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktreurde
jijtreurde
hijtreurde
wijtreurden
jullietreurden
zijtreurden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getreurd
jijhad getreurd
hijhad getreurd
wijhadden getreurd
julliehadden getreurd
zijhadden getreurd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal treuren
jijzult treuren
hijzal treuren
wijzullen treuren
julliezullen treuren
zijzullen treuren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getreurd hebben
jijzult getreurd hebben
hijzal getreurd hebben
wijzullen getreurd hebben
julliezullen getreurd hebben
zijzullen getreurd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou treuren
jijzou treuren
hijzou treuren
wijzouden treuren
julliezouden treuren
zijzouden treuren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getreurd hebben
jijzou getreurd hebben
hijzou getreurd hebben
wijzouden getreurd hebben
julliezouden getreurd hebben
zijzouden getreurd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtreur

Translations

  • grieve, to experience grief
  • mourn, express sadness for, grieve over
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    jammeren
    kniezen, weeklagen, zuchten

    Sample Sentences

    • [...] opende ik den bijbel bij deze woorden: " Ik zal u nimmer verlaten ! " Dadelijk viel het mij in, dat deze woorden voor mij geschreven waren; waarom anders zou ik ze juist aangetroffen hebben, toen ik treurde over mijn toestand, als van God en menschen verlaten. Welaan, zeide ik, zoo God mij niet verlaat, wat scheelt het of de geheele wereld mij verlaat. Zoo ik aan den anderen kant de geheele wereld had, [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] " O, gelukkig oord, " zeide ik, " ik zal u nimmer wederzien ! Rampzalige, die ik ben, waar ga ik heen ? " Vervolgens verweet ik mijzelven mijne ondankbaarheid, en hoe ik over mijn eenzamen toestand getreurd had, en wat ik nu wel niet zou willen geven als ik daar slechts weder aan wal was ! Zoo zien wij nimmer onzen toestand in het ware licht, voor wij door het tegendeel, er een helderder inzigt in [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch trueren, from Middle Low German truren, from Middle High German trūren (modern trauern). See: Middle High German 'trūren'.

    Verbs referencing "treuren"

    Luxembourgish traueren.

    Additional Information