treiteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of treiteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: treiteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: treiterend
Past participle - Verleden deelwoord: getreiterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktreiter
jijtreitert
hijtreitert
wijtreiteren
jullietreiteren
zijtreiteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getreiterd
jijhebt getreiterd
hijheeft getreiterd
wijhebben getreiterd
julliehebben getreiterd
zijhebben getreiterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktreiterde
jijtreiterde
hijtreiterde
wijtreiterden
jullietreiterden
zijtreiterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getreiterd
jijhad getreiterd
hijhad getreiterd
wijhadden getreiterd
julliehadden getreiterd
zijhadden getreiterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal treiteren
jijzult treiteren
hijzal treiteren
wijzullen treiteren
julliezullen treiteren
zijzullen treiteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getreiterd hebben
jijzult getreiterd hebben
hijzal getreiterd hebben
wijzullen getreiterd hebben
julliezullen getreiterd hebben
zijzullen getreiterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou treiteren
jijzou treiteren
hijzou treiteren
wijzouden treiteren
julliezouden treiteren
zijzouden treiteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getreiterd hebben
jijzou getreiterd hebben
hijzou getreiterd hebben
wijzouden getreiterd hebben
julliezouden getreiterd hebben
zijzouden getreiterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtreiter

Translations

  • bully, to intimidate
  • cow, to intimidate
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    jennen
    pesten, sarren, stangen, tergen

    Sample Sentences

    Etymology

    1. Etymology tree
    2. Proto-Indo-European *terh₂-der.
    3. Proto-Indo-European *térh₂t
    4. Proto-Indo-European *-ónts
    5. Proto-Indo-European *tr̥h₂ónts
    6. Proto-Indo-European *tr̥h₂n̥ts
    7. Proto-Italic *trāns
    8. Latin trāns
    9. Proto-Indo-European *deh₃-redup.
    10. Proto-Indo-European *-ti
    11. Proto-Indo-European *dédeh₃ti
    12. Proto-Italic *didō
    13. Latin dō
    14. Latin trādō
    15. Proto-Indo-European *-tōr
    16. Proto-Italic *-tōr
    17. Latin -tor
    18. Latin trāditorder.
    19. Old French traitor
    20. French traîtrebor.
    21. Dutch treiter
    22. Proto-West Germanic *-ōn
    23. Old Dutch -on
    24. Proto-Indo-European *-yéti
    25. Proto-Germanic *-janą
    26. Proto-West Germanic *-jan
    27. Old Dutch -en
    28. Proto-West Germanic *-an
    29. Old Dutch -an
    30. Middle Dutch -en
    31. Dutch -en
    32. Dutch treiteren
    33. From treiter + -en.

    Additional Information