tintelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tintelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tintelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tintelend
Past participle - Verleden deelwoord: getinteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktintel
jijtintelt
hijtintelt
wijtintelen
jullietintelen
zijtintelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getinteld
jijhebt getinteld
hijheeft getinteld
wijhebben getinteld
julliehebben getinteld
zijhebben getinteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktintelde
jijtintelde
hijtintelde
wijtintelden
jullietintelden
zijtintelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getinteld
jijhad getinteld
hijhad getinteld
wijhadden getinteld
julliehadden getinteld
zijhadden getinteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tintelen
jijzult tintelen
hijzal tintelen
wijzullen tintelen
julliezullen tintelen
zijzullen tintelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getinteld hebben
jijzult getinteld hebben
hijzal getinteld hebben
wijzullen getinteld hebben
julliezullen getinteld hebben
zijzullen getinteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tintelen
jijzou tintelen
hijzou tintelen
wijzouden tintelen
julliezouden tintelen
zijzouden tintelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getinteld hebben
jijzou getinteld hebben
hijzou getinteld hebben
wijzouden getinteld hebben
julliezouden getinteld hebben
zijzouden getinteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtintel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information