tijgen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tijgen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tijgen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tijgend
Past participle - Verleden deelwoord: getogen; getegen

Cognates

See the 5 cognates of tijgen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktijg
jijtijgt
hijtijgt
wijtijgen
jullietijgen
zijtijgen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getogen; getegen
jijhebt getogen; getegen
hijheeft getogen; getegen
wijhebben getogen; getegen
julliehebben getogen; getegen
zijhebben getogen; getegen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktoog
jijtoog
hijtoog
wijtogen
jullietogen
zijtogen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getogen; getegen
jijhad getogen; getegen
hijhad getogen; getegen
wijhadden getogen; getegen
julliehadden getogen; getegen
zijhadden getogen; getegen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tijgen
jijzult tijgen
hijzal tijgen
wijzullen tijgen
julliezullen tijgen
zijzullen tijgen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getogen; getegen hebben
jijzult getogen; getegen hebben
hijzal getogen; getegen hebben
wijzullen getogen; getegen hebben
julliezullen getogen; getegen hebben
zijzullen getogen; getegen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tijgen
jijzou tijgen
hijzou tijgen
wijzouden tijgen
julliezouden tijgen
zijzouden tijgen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getogen; getegen hebben
jijzou getogen; getegen hebben
hijzou getogen; getegen hebben
wijzouden getogen; getegen hebben
julliezouden getogen; getegen hebben
zijzouden getogen; getegen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtijg

Verbs conjugated like 'tijgen'

aantijgen, tijgen,

Verbs similar to 'tijgen'

hijgen, nijgen, rijgen, stijgen, zijgen, bijten, dingen, hijsen, kijken, kijven,

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • De vogelaars togen naar de plaats waar de oehoe was gespot. (The birders went to the place where the eagle-owl had been spotted.)

Etymology

From Middle Dutch tiën, from Old Dutch *tīan, from Proto-West Germanic *tīhan, from Proto-Germanic *tīhaną, from Proto-Indo-European *deyḱ- (“to show”). See: Proto-Germanic '*tīhaną'.

Verbs referencing "tijgen"

Swedish te.

Additional Information