stommelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stommelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stommelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stommelend
Past participle - Verleden deelwoord: gestommeld

Cognates

See the 2 cognates of stommelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstommel
jijstommelt
hijstommelt
wijstommelen
julliestommelen
zijstommelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestommeld
jijhebt gestommeld
hijheeft gestommeld
wijhebben gestommeld
julliehebben gestommeld
zijhebben gestommeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstommelde
jijstommelde
hijstommelde
wijstommelden
julliestommelden
zijstommelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestommeld
jijhad gestommeld
hijhad gestommeld
wijhadden gestommeld
julliehadden gestommeld
zijhadden gestommeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stommelen
jijzult stommelen
hijzal stommelen
wijzullen stommelen
julliezullen stommelen
zijzullen stommelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestommeld hebben
jijzult gestommeld hebben
hijzal gestommeld hebben
wijzullen gestommeld hebben
julliezullen gestommeld hebben
zijzullen gestommeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stommelen
jijzou stommelen
hijzou stommelen
wijzouden stommelen
julliezouden stommelen
zijzouden stommelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestommeld hebben
jijzou gestommeld hebben
hijzou gestommeld hebben
wijzouden gestommeld hebben
julliezouden gestommeld hebben
zijzouden gestommeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstommel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • We hoorden mensen in het appartement boven ons stommelen. (We heard people in the apartment above us make soft noises as they walked.)

Etymology

From Middle Dutch stommelen, ultimately from the same root as stom and stamelen. Cognates include English stumble, Old Norse stumra. See: English 'stumble'.

Verbs referencing "stommelen"

English stumble.

Additional Information