spammen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of spammen

The word "spammen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: spammen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: spammend
Past participle - Verleden deelwoord: gespamd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspam
jijspamt
hijspamt
wijspammen
julliespammen
zijspammen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gespamd
jijhebt gespamd
hijheeft gespamd
wijhebben gespamd
julliehebben gespamd
zijhebben gespamd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspamde
jijspamde
hijspamde
wijspamden
julliespamden
zijspamden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gespamd
jijhad gespamd
hijhad gespamd
wijhadden gespamd
julliehadden gespamd
zijhadden gespamd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal spammen
jijzult spammen
hijzal spammen
wijzullen spammen
julliezullen spammen
zijzullen spammen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gespamd hebben
jijzult gespamd hebben
hijzal gespamd hebben
wijzullen gespamd hebben
julliezullen gespamd hebben
zijzullen gespamd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou spammen
jijzou spammen
hijzou spammen
wijzouden spammen
julliezouden spammen
zijzouden spammen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gespamd hebben
jijzou gespamd hebben
hijzou gespamd hebben
wijzouden gespamd hebben
julliezouden gespamd hebben
zijzouden gespamd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspam

Verbs similar to 'spammen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From English spam. See: English 'spam'.

Additional Information