smakken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of smakken

The word "smakken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: smakken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: smakkend
Past participle - Verleden deelwoord: gesmakt

Cognates

See the 2 cognates of smakken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksmak
jijsmakt
hijsmakt
wijsmakken
julliesmakken
zijsmakken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesmakt
jijhebt gesmakt
hijheeft gesmakt
wijhebben gesmakt
julliehebben gesmakt
zijhebben gesmakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksmakte
jijsmakte
hijsmakte
wijsmakten
julliesmakten
zijsmakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesmakt
jijhad gesmakt
hijhad gesmakt
wijhadden gesmakt
julliehadden gesmakt
zijhadden gesmakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal smakken
jijzult smakken
hijzal smakken
wijzullen smakken
julliezullen smakken
zijzullen smakken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesmakt hebben
jijzult gesmakt hebben
hijzal gesmakt hebben
wijzullen gesmakt hebben
julliezullen gesmakt hebben
zijzullen gesmakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou smakken
jijzou smakken
hijzou smakken
wijzouden smakken
julliezouden smakken
zijzouden smakken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesmakt hebben
jijzou gesmakt hebben
hijzou gesmakt hebben
wijzouden gesmakt hebben
julliezouden gesmakt hebben
zijzouden gesmakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsmak

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From smak (“smack, blow, crash”) + -en.

Verbs referencing "smakken"

Swedish smacka.

Additional Information