slokken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of slokken

The word "slokken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: slokken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: slokkend
Past participle - Verleden deelwoord: geslokt

Cognates

See the 2 cognates of slokken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikslok
jijslokt
hijslokt
wijslokken
jullieslokken
zijslokken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geslokt
jijhebt geslokt
hijheeft geslokt
wijhebben geslokt
julliehebben geslokt
zijhebben geslokt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikslokte
jijslokte
hijslokte
wijslokten
jullieslokten
zijslokten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geslokt
jijhad geslokt
hijhad geslokt
wijhadden geslokt
julliehadden geslokt
zijhadden geslokt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal slokken
jijzult slokken
hijzal slokken
wijzullen slokken
julliezullen slokken
zijzullen slokken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geslokt hebben
jijzult geslokt hebben
hijzal geslokt hebben
wijzullen geslokt hebben
julliezullen geslokt hebben
zijzullen geslokt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou slokken
jijzou slokken
hijzou slokken
wijzouden slokken
julliezouden slokken
zijzouden slokken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geslokt hebben
jijzou geslokt hebben
hijzou geslokt hebben
wijzouden geslokt hebben
julliezouden geslokt hebben
zijzouden geslokt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijslok

Translations

  • gulp, to swallow eagerly, or in large draughts
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch slocken, from Proto-Germanic *slukkēn-, from Proto-Indo-European *(s)lug-.

    Verbs referencing "slokken"

    German, old spelling schlucken, Danish sluge.

    Additional Information