slieren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of slieren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: slieren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: slierend
Past participle - Verleden deelwoord: geslierd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikslier
jijsliert
hijsliert
wijslieren
jullieslieren
zijslieren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geslierd
jijhebt geslierd
hijheeft geslierd
wijhebben geslierd
julliehebben geslierd
zijhebben geslierd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikslierde
jijslierde
hijslierde
wijslierden
jullieslierden
zijslierden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geslierd
jijhad geslierd
hijhad geslierd
wijhadden geslierd
julliehadden geslierd
zijhadden geslierd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal slieren
jijzult slieren
hijzal slieren
wijzullen slieren
julliezullen slieren
zijzullen slieren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geslierd hebben
jijzult geslierd hebben
hijzal geslierd hebben
wijzullen geslierd hebben
julliezullen geslierd hebben
zijzullen geslierd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou slieren
jijzou slieren
hijzou slieren
wijzouden slieren
julliezouden slieren
zijzouden slieren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geslierd hebben
jijzou geslierd hebben
hijzou geslierd hebben
wijzouden geslierd hebben
julliezouden geslierd hebben
zijzouden geslierd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijslier

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch slideren, from Old Dutch *slidron, from Proto-West Germanic *slidrōn. The sense "to drag" is influenced by sleuren. See: Old Dutch '*slidron'.

Additional Information