schamperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schamperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schamperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schamperend
Past participle - Verleden deelwoord: geschamperd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschamper
jijschampert
hijschampert
wijschamperen
jullieschamperen
zijschamperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geschamperd
jijhebt geschamperd
hijheeft geschamperd
wijhebben geschamperd
julliehebben geschamperd
zijhebben geschamperd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschamperde
jijschamperde
hijschamperde
wijschamperden
jullieschamperden
zijschamperden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geschamperd
jijhad geschamperd
hijhad geschamperd
wijhadden geschamperd
julliehadden geschamperd
zijhadden geschamperd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal schamperen
jijzult schamperen
hijzal schamperen
wijzullen schamperen
julliezullen schamperen
zijzullen schamperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geschamperd hebben
jijzult geschamperd hebben
hijzal geschamperd hebben
wijzullen geschamperd hebben
julliezullen geschamperd hebben
zijzullen geschamperd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou schamperen
jijzou schamperen
hijzou schamperen
wijzouden schamperen
julliezouden schamperen
zijzouden schamperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geschamperd hebben
jijzou geschamperd hebben
hijzou geschamperd hebben
wijzouden geschamperd hebben
julliezouden geschamperd hebben
zijzouden geschamperd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschamper

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "schamperen"

English scamper.

Additional Information