samenvatten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of samenvatten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: samenvatten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: samenvattend
Past participle - Verleden deelwoord: samengevat

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvat samen
jijvat samen
hijvat samen
wijvatten samen
jullievatten samen
zijvatten samen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb samengevat
jijhebt samengevat
hijheeft samengevat
wijhebben samengevat
julliehebben samengevat
zijhebben samengevat

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvatte samen
jijvatte samen
hijvatte samen
wijvatten samen
jullievatten samen
zijvatten samen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad samengevat
jijhad samengevat
hijhad samengevat
wijhadden samengevat
julliehadden samengevat
zijhadden samengevat

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal samenvatten
jijzult samenvatten
hijzal samenvatten
wijzullen samenvatten
julliezullen samenvatten
zijzullen samenvatten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal samengevat hebben
jijzult samengevat hebben
hijzal samengevat hebben
wijzullen samengevat hebben
julliezullen samengevat hebben
zijzullen samengevat hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou samenvatten
jijzou samenvatten
hijzou samenvatten
wijzouden samenvatten
julliezouden samenvatten
zijzouden samenvatten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou samengevat hebben
jijzou samengevat hebben
hijzou samengevat hebben
wijzouden samengevat hebben
julliezouden samengevat hebben
zijzouden samengevat hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvat samen

Translations

  • abstract, to abridge, epitomize, or summarize
  • compress, to condense
  • summarize, to prepare a summary
  • epitomize, make an epitome
  • recapitulate, to summarize or repeat in concise form
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    recapituleren
    resumeren

    Sample Sentences

    Etymology

    From samen (“together”) + vatten (“to grasp”).

    Additional Information