roeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of roeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: roeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: roerend
Past participle - Verleden deelwoord: geroerd

Cognates

See the 5 cognates of roeren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikroer
jijroert
hijroert
wijroeren
jullieroeren
zijroeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geroerd
jijhebt geroerd
hijheeft geroerd
wijhebben geroerd
julliehebben geroerd
zijhebben geroerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikroerde
jijroerde
hijroerde
wijroerden
jullieroerden
zijroerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geroerd
jijhad geroerd
hijhad geroerd
wijhadden geroerd
julliehadden geroerd
zijhadden geroerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal roeren
jijzult roeren
hijzal roeren
wijzullen roeren
julliezullen roeren
zijzullen roeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geroerd hebben
jijzult geroerd hebben
hijzal geroerd hebben
wijzullen geroerd hebben
julliezullen geroerd hebben
zijzullen geroerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou roeren
jijzou roeren
hijzou roeren
wijzouden roeren
julliezouden roeren
zijzouden roeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geroerd hebben
jijzou geroerd hebben
hijzou geroerd hebben
wijzouden geroerd hebben
julliezouden geroerd hebben
zijzouden geroerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijroer

Translations

  • move, to cause to change place or posture; to set in motion
  • move, to arouse the feelings or passions of
  • touch, affect emotionally
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    mengen
    omroeren
    ontroeren
    vertederen
    bewegen
    verroeren

    Antonyms

    bewegen
    stilstaan

    Sample Sentences

    • [...] over mijne plantaadje en goederen, ingeval ik mogt komen te overlijden. Ik stelde tot mijn eenigsten erfgenaam den kapitein aan, die mij het leven gered had, onder verpligting van de helft mijner roerende goederen voor zich te houden, doch de andere helft naar Engeland te voeren. (Robinson Crusoe)
    • Nadat dit gedaan was moest ik Vrijdag leeren hoe met de boot te zeilen, want schoon hij zeer goed eene kanoe wist te roeijen, begreep hij van zeil en roer niets en stond niet weinig verbaasd toen hij mij mijne boot bij den wind zag brengen, en weder afvallen, door behulp van mijn roer, en hoe het zeil over dezen of dien boeg vol stond, naarmate ik van [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch roeren, from Old Dutch ruoren, from Proto-West Germanic *hrōʀijan, from Proto-Germanic *hrōzijaną. See: Proto-Germanic '*hrōzijaną'.

    Verbs referencing "roeren"

    German, old spelling rühren, Luxembourgish réieren, Alemannic German rüere.

    Additional Information