koeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of koeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: koeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: koerend
Past participle - Verleden deelwoord: gekoerd

Cognates

See the 3 cognates of koeren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

hijkoert

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

hijheeft gekoerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

hijkoerde

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

hijhad gekoerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

hijzal koeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

hijzal gekoerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

hijzou koeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

hijzou gekoerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

Translations

  • coo, to make a soft murmuring sound
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Of imitative origin

    Verbs referencing "koeren"

    English coo, English cower.

    Additional Information