reizen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of reizen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: reizen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: reizend
Past participle - Verleden deelwoord: gereisd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikreis
jijreist
hijreist
wijreizen
julliereizen
zijreizen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gereisd
jijhebt gereisd
hijheeft gereisd
wijhebben gereisd
julliehebben gereisd
zijhebben gereisd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikreisde
jijreisde
hijreisde
wijreisden
julliereisden
zijreisden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gereisd
jijhad gereisd
hijhad gereisd
wijhadden gereisd
julliehadden gereisd
zijhadden gereisd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal reizen
jijzult reizen
hijzal reizen
wijzullen reizen
julliezullen reizen
zijzullen reizen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gereisd hebben
jijzult gereisd hebben
hijzal gereisd hebben
wijzullen gereisd hebben
julliezullen gereisd hebben
zijzullen gereisd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou reizen
jijzou reizen
hijzou reizen
wijzouden reizen
julliezouden reizen
zijzouden reizen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gereisd hebben
jijzou gereisd hebben
hijzou gereisd hebben
wijzouden gereisd hebben
julliezouden gereisd hebben
zijzouden gereisd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijreis

Verbs conjugated like 'reizen'

glanzen, grenzen, niezen, omhelzen, reizen, veinzen, verhuizen,

Verbs similar to 'reizen'

reiken, dreigen, eisen, feilen, grenzen, keilen, leiden, lezen, meien, peilen,

Translations

  • fare, to travel
  • journey, to travel, to make a trip or voyage
  • travel, be on a journey
  • travel, pass from here to there; transmit
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    forenzen
    rondtoeren, toeren, trekken

    Sample Sentences

    • [...] die mij ernstig ried niet ter zee de reis te doen, maar te land, en de golf van Biscaye over te steken naar Rochelle, vanwaar ik veilig en gemakkelijk naar Parijs en zoo over Calais naar Dover reizen kon; of naar Madrid te gaan en geheel Frankrijk door de reis te land te doen. Om kort te gaan, ik had zooveel tegen eene zeereis, behalve van Calais naar Dover, dat ik besloot den geheelen weg te [...] (Robinson Crusoe)
    • Ik zou van mijne reis door Frankrijk niets kunnen mededeelen, dan hetgeen anderen beter vóór mij gedaan hebben. Ik reisde van Toulouse naar Parijs en kwam kort daarop te Calais en landde veilig te Dover den 14 Januarij, na veel koude uitgestaan te hebben. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch reisen, from Old Dutch *reison, from Proto-West Germanic *raisōn. See: Old Dutch '*reison'.

    Verbs referencing "reizen"

    English reyse.

    Additional Information