Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: dreigen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dreigend
Past participle - Verleden deelwoord: gedreigd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | dreig |
| jij | dreigt |
| hij | dreigt |
| wij | dreigen |
| jullie | dreigen |
| zij | dreigen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gedreigd |
| jij | hebt gedreigd |
| hij | heeft gedreigd |
| wij | hebben gedreigd |
| jullie | hebben gedreigd |
| zij | hebben gedreigd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | dreigde |
| jij | dreigde |
| hij | dreigde |
| wij | dreigden |
| jullie | dreigden |
| zij | dreigden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gedreigd |
| jij | had gedreigd |
| hij | had gedreigd |
| wij | hadden gedreigd |
| jullie | hadden gedreigd |
| zij | hadden gedreigd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal dreigen |
| jij | zult dreigen |
| hij | zal dreigen |
| wij | zullen dreigen |
| jullie | zullen dreigen |
| zij | zullen dreigen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gedreigd hebben |
| jij | zult gedreigd hebben |
| hij | zal gedreigd hebben |
| wij | zullen gedreigd hebben |
| jullie | zullen gedreigd hebben |
| zij | zullen gedreigd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou dreigen |
| jij | zou dreigen |
| hij | zou dreigen |
| wij | zouden dreigen |
| jullie | zouden dreigen |
| zij | zouden dreigen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gedreigd hebben |
| jij | zou gedreigd hebben |
| hij | zou gedreigd hebben |
| wij | zouden gedreigd hebben |
| jullie | zouden gedreigd hebben |
| zij | zouden gedreigd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'dreigen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'dreigen'
dreggen,
afdreigen,
bedreigen,
brengen,
delgen,
dragen,
drenken,
dreunen,
dringen,
drogen,
Translations
threaten, to make a threat against someone; to use threats
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
[...] van mijne gepeinzen te dier gelegenheid, mag ik niet onvermeld laten; namelijk, op een morgen vroeg toen ik te bed lag, vol gedachten over het gevaar, dat mij van het verschijnen van wilden dreigde, was ik zeer bedrukt, waarop mij de woorden der Heilige Schrift invielen: " Roep Mij aan in den dag der benaauwing, en Ik zal u verlossen en gij zult Mij verheerlijken. " Hierop stapte ik welgemoed [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] maar stond te beven van afschuw, daar ik ieder oogenblik verwachtte, dat de gevangenen vermoord zouden worden; en zelfs zag ik, dat een der schurken zijn sabel ophief, om een der gevangenen te dreigen, en ik verwachtte ieder oogenblik, hem te zien toeslaan, bij welk gezigt mij het bloed in de aderen verstijfde. Ik wenschte thans hartelijk, dat de Spanjaard en de oude wilde, die met hem vertrokken [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch dreigen, from Old Dutch *threigen, of unclear origin. According to Pokorny, related to Proto-Germanic *þrinhwaną (“to force, push”). See: Middle Dutch '
dreigen', Proto-Germanic '
*þrinhwaną'.
Verbs referencing "dreigen"
Old Saxon
thregian.
Additional Information