rammen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of rammen

The word "rammen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: rammen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: rammend
Past participle - Verleden deelwoord: geramd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikram
jijramt
hijramt
wijrammen
jullierammen
zijrammen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geramd
jijhebt geramd
hijheeft geramd
wijhebben geramd
julliehebben geramd
zijhebben geramd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikramde
jijramde
hijramde
wijramden
jullieramden
zijramden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geramd
jijhad geramd
hijhad geramd
wijhadden geramd
julliehadden geramd
zijhadden geramd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal rammen
jijzult rammen
hijzal rammen
wijzullen rammen
julliezullen rammen
zijzullen rammen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geramd hebben
jijzult geramd hebben
hijzal geramd hebben
wijzullen geramd hebben
julliezullen geramd hebben
zijzullen geramd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou rammen
jijzou rammen
hijzou rammen
wijzouden rammen
julliezouden rammen
zijzouden rammen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geramd hebben
jijzou geramd hebben
hijzou geramd hebben
wijzouden geramd hebben
julliezouden geramd hebben
zijzouden geramd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijram

Verbs similar to 'rammen'

Translations

  • batter, to hit or strike violently and repeatedly
  • ram, intentionally collide with (a ship)
  • ram, strike (something) hard
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From ram (“battering ram”) + -en.

    Additional Information