putten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of putten

The word "putten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: putten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: puttend
Past participle - Verleden deelwoord: geput

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikput
jijput
hijput
wijputten
jullieputten
zijputten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geput
jijhebt geput
hijheeft geput
wijhebben geput
julliehebben geput
zijhebben geput

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikputte
jijputte
hijputte
wijputten
jullieputten
zijputten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geput
jijhad geput
hijhad geput
wijhadden geput
julliehadden geput
zijhadden geput

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal putten
jijzult putten
hijzal putten
wijzullen putten
julliezullen putten
zijzullen putten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geput hebben
jijzult geput hebben
hijzal geput hebben
wijzullen geput hebben
julliezullen geput hebben
zijzullen geput hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou putten
jijzou putten
hijzou putten
wijzouden putten
julliezouden putten
zijzouden putten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geput hebben
jijzou geput hebben
hijzou geput hebben
wijzouden geput hebben
julliezouden geput hebben
zijzouden geput hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijput

Verbs similar to 'putten'

Translations

  • draw, to extract a liquid, or cause a liquid to come out
  • putt, to lightly strike a golf ball with a putter
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch putten. Equivalent to put + -en.

    Additional Information