plunderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of plunderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: plunderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: plunderend
Past participle - Verleden deelwoord: geplunderd

Cognates

See the 5 cognates of plunderen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikplunder
jijplundert
hijplundert
wijplunderen
jullieplunderen
zijplunderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geplunderd
jijhebt geplunderd
hijheeft geplunderd
wijhebben geplunderd
julliehebben geplunderd
zijhebben geplunderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikplunderde
jijplunderde
hijplunderde
wijplunderden
jullieplunderden
zijplunderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geplunderd
jijhad geplunderd
hijhad geplunderd
wijhadden geplunderd
julliehadden geplunderd
zijhadden geplunderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal plunderen
jijzult plunderen
hijzal plunderen
wijzullen plunderen
julliezullen plunderen
zijzullen plunderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geplunderd hebben
jijzult geplunderd hebben
hijzal geplunderd hebben
wijzullen geplunderd hebben
julliezullen geplunderd hebben
zijzullen geplunderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou plunderen
jijzou plunderen
hijzou plunderen
wijzouden plunderen
julliezouden plunderen
zijzouden plunderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geplunderd hebben
jijzou geplunderd hebben
hijzou geplunderd hebben
wijzouden geplunderd hebben
julliezouden geplunderd hebben
zijzouden geplunderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijplunder

Translations

  • loot, to steal from
  • maraud, transitive: to raid and pillage
  • pillage, loot or plunder by force
  • plunder, to take all the goods of, by force (as in war) (transitive)
  • plunder, to take by force or wrongfully
  • plunder, to commit robbery or looting (intransitive)
  • plunder, to use or use up wrongfully
  • ransack, to loot or pillage
  • rapine, plunder
  • sack, to plunder
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    beroven
    roven, stelen
    leeghalen
    leegroven

    Sample Sentences

    • Den volgenden dag deed ik weder eene reis, en nu ik al wat draagbaar was uit het schip geplunderd had, begon ik met de kabels, die ik aan stukken kapte, die ik verwerken kon, en bragt twee kabels en een tros aan wal, met al het ijzerwerk, dat ik bekomen kon, en na de sprietzeilra en de bezaansra [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch plonderen, from a noun originally meaning "household goods, bedding, clothing," of obscure ultimate origin. This is first attested in medieval records, and according to Gijsseling, is therefore attested too late to be considered a substrate word. Due to the lack of obvious cognates in other languages from which it would have been loaned, it could have developed as some slang word in Lower Saxony/the Low Countries.

    Verbs referencing "plunderen"

    English plunder, German, old spelling plündern, Swedish plundra, Luxembourgish plënneren.

    Additional Information