Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: plunderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: plunderend
Past participle - Verleden deelwoord: geplunderd
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | plunder |
| jij | plundert |
| hij | plundert |
| wij | plunderen |
| jullie | plunderen |
| zij | plunderen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geplunderd |
| jij | hebt geplunderd |
| hij | heeft geplunderd |
| wij | hebben geplunderd |
| jullie | hebben geplunderd |
| zij | hebben geplunderd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | plunderde |
| jij | plunderde |
| hij | plunderde |
| wij | plunderden |
| jullie | plunderden |
| zij | plunderden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geplunderd |
| jij | had geplunderd |
| hij | had geplunderd |
| wij | hadden geplunderd |
| jullie | hadden geplunderd |
| zij | hadden geplunderd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal plunderen |
| jij | zult plunderen |
| hij | zal plunderen |
| wij | zullen plunderen |
| jullie | zullen plunderen |
| zij | zullen plunderen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geplunderd hebben |
| jij | zult geplunderd hebben |
| hij | zal geplunderd hebben |
| wij | zullen geplunderd hebben |
| jullie | zullen geplunderd hebben |
| zij | zullen geplunderd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou plunderen |
| jij | zou plunderen |
| hij | zou plunderen |
| wij | zouden plunderen |
| jullie | zouden plunderen |
| zij | zouden plunderen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geplunderd hebben |
| jij | zou geplunderd hebben |
| hij | zou geplunderd hebben |
| wij | zouden geplunderd hebben |
| jullie | zouden geplunderd hebben |
| zij | zouden geplunderd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'plunderen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'plunderen'
blunderen,
glunderen,
lunderen,
afplunderen,
blinderen,
blonderen,
funderen,
inunderen,
lunteren,
planeren,
Translations
loot, to steal from
maraud, transitive: to raid and pillage
pillage, loot or plunder by force
plunder, to take all the goods of, by force (as in war) (transitive)
plunder, to take by force or wrongfully
plunder, to commit robbery or looting (intransitive)
plunder, to use or use up wrongfully
ransack, to loot or pillage
rapine, plunder
sack, to plunder
Sample Sentences
-
Den volgenden dag deed ik weder eene reis, en nu ik al wat draagbaar was uit het schip geplunderd had, begon ik met de kabels, die ik aan stukken kapte, die ik verwerken kon, en bragt twee kabels en een tros aan wal, met al het ijzerwerk, dat ik bekomen kon, en na de sprietzeilra en de bezaansra [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch plonderen, from a noun originally meaning "household goods, bedding, clothing," of obscure ultimate origin. This is first attested in medieval records, and according to Gijsseling, is therefore attested too late to be considered a substrate word. Due to the lack of obvious cognates in other languages from which it would have been loaned, it could have developed as some slang word in Lower Saxony/the Low Countries.
Verbs referencing "plunderen"
English
plunder, German, old spelling
plündern, Swedish
plundra, Luxembourgish
plënneren.
Additional Information