peperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of peperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: peperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: peperend
Past participle - Verleden deelwoord: gepeperd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpeper
jijpepert
hijpepert
wijpeperen
julliepeperen
zijpeperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepeperd
jijhebt gepeperd
hijheeft gepeperd
wijhebben gepeperd
julliehebben gepeperd
zijhebben gepeperd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpeperde
jijpeperde
hijpeperde
wijpeperden
julliepeperden
zijpeperden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepeperd
jijhad gepeperd
hijhad gepeperd
wijhadden gepeperd
julliehadden gepeperd
zijhadden gepeperd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal peperen
jijzult peperen
hijzal peperen
wijzullen peperen
julliezullen peperen
zijzullen peperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepeperd hebben
jijzult gepeperd hebben
hijzal gepeperd hebben
wijzullen gepeperd hebben
julliezullen gepeperd hebben
zijzullen gepeperd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou peperen
jijzou peperen
hijzou peperen
wijzouden peperen
julliezouden peperen
zijzouden peperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepeperd hebben
jijzou gepeperd hebben
hijzou gepeperd hebben
wijzouden gepeperd hebben
julliezouden gepeperd hebben
zijzouden gepeperd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpeper

Translations

  • devil, grill with cayenne pepper
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information