Infinitive - Onbepaalde wijs: overschatten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: overschattend
Past participle - Verleden deelwoord: overschat
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | overschat |
| jij | overschat |
| hij | overschat |
| wij | overschatten |
| jullie | overschatten |
| zij | overschatten |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb overschat |
| jij | hebt overschat |
| hij | heeft overschat |
| wij | hebben overschat |
| jullie | hebben overschat |
| zij | hebben overschat |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | overschatte |
| jij | overschatte |
| hij | overschatte |
| wij | overschatten |
| jullie | overschatten |
| zij | overschatten |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had overschat |
| jij | had overschat |
| hij | had overschat |
| wij | hadden overschat |
| jullie | hadden overschat |
| zij | hadden overschat |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal overschatten |
| jij | zult overschatten |
| hij | zal overschatten |
| wij | zullen overschatten |
| jullie | zullen overschatten |
| zij | zullen overschatten |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal overschat hebben |
| jij | zult overschat hebben |
| hij | zal overschat hebben |
| wij | zullen overschat hebben |
| jullie | zullen overschat hebben |
| zij | zullen overschat hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou overschatten |
| jij | zou overschatten |
| hij | zou overschatten |
| wij | zouden overschatten |
| jullie | zouden overschatten |
| zij | zouden overschatten |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou overschat hebben |
| jij | zou overschat hebben |
| hij | zou overschat hebben |
| wij | zouden overschat hebben |
| jullie | zouden overschat hebben |
| zij | zouden overschat hebben |
| jij | overschat |