overhevelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of overhevelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: overhevelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: overhevelend
Past participle - Verleden deelwoord: overgeheveld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhevel over
jijhevelt over
hijhevelt over
wijhevelen over
julliehevelen over
zijhevelen over

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb overgeheveld
jijhebt overgeheveld
hijheeft overgeheveld
wijhebben overgeheveld
julliehebben overgeheveld
zijhebben overgeheveld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhevelde over
jijhevelde over
hijhevelde over
wijhevelden over
julliehevelden over
zijhevelden over

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad overgeheveld
jijhad overgeheveld
hijhad overgeheveld
wijhadden overgeheveld
julliehadden overgeheveld
zijhadden overgeheveld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal overhevelen
jijzult overhevelen
hijzal overhevelen
wijzullen overhevelen
julliezullen overhevelen
zijzullen overhevelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal overgeheveld hebben
jijzult overgeheveld hebben
hijzal overgeheveld hebben
wijzullen overgeheveld hebben
julliezullen overgeheveld hebben
zijzullen overgeheveld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou overhevelen
jijzou overhevelen
hijzou overhevelen
wijzouden overhevelen
julliezouden overhevelen
zijzouden overhevelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou overgeheveld hebben
jijzou overgeheveld hebben
hijzou overgeheveld hebben
wijzouden overgeheveld hebben
julliezouden overgeheveld hebben
zijzouden overgeheveld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhevel over

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information