oprollen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of oprollen

The word "oprollen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: oprollen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: oprollend
Past participle - Verleden deelwoord: opgerold

Cognates

See the 2 cognates of oprollen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrol op
jijrolt op
hijrolt op
wijrollen op
jullierollen op
zijrollen op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgerold
jijhebt opgerold
hijheeft opgerold
wijhebben opgerold
julliehebben opgerold
zijhebben opgerold

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrolde op
jijrolde op
hijrolde op
wijrolden op
jullierolden op
zijrolden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgerold
jijhad opgerold
hijhad opgerold
wijhadden opgerold
julliehadden opgerold
zijhadden opgerold

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal oprollen
jijzult oprollen
hijzal oprollen
wijzullen oprollen
julliezullen oprollen
zijzullen oprollen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgerold hebben
jijzult opgerold hebben
hijzal opgerold hebben
wijzullen opgerold hebben
julliezullen opgerold hebben
zijzullen opgerold hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou oprollen
jijzou oprollen
hijzou oprollen
wijzouden oprollen
julliezouden oprollen
zijzouden oprollen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgerold hebben
jijzou opgerold hebben
hijzou opgerold hebben
wijzouden opgerold hebben
julliezouden opgerold hebben
zijzouden opgerold hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrol op

Verbs similar to 'oprollen'

Translations

  • coil, wind into regular rings
  • coil, wind into loops
  • reel, to wind on a reel
  • roll, to wrap round on itself
  • roll, to bind or involve by winding
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Hij besloot de mouwen van zijn overhemd op te rollen tijdens het warme weer. (He decided to roll up the sleeves of his shirt during the hot weather.)
    • De zeilers moesten snel de zeilen oprollen voordat de storm begon. (The sailors had to quickly roll up the sails before the storm started.)
    • De politie kon eindelijk de bende oprollen na maanden van onderzoek. (The police were finally able to arrest the gang after months of investigation.)
    • De drugsbende werd door de politie opgerold tijdens een grootschalige operatie. (The drug gang was captured by the police during a large-scale operation.)

    Etymology

    From op (“up”) + rollen (“to roll”).

    Verbs referencing "oprollen"

    English uproll.

    Additional Information