ontzielen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ontzielen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ontzielen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ontzielend
Past participle - Verleden deelwoord: ontzield

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikontziel
jijontzielt
hijontzielt
wijontzielen
jullieontzielen
zijontzielen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ontzield
jijhebt ontzield
hijheeft ontzield
wijhebben ontzield
julliehebben ontzield
zijhebben ontzield

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikontzielde
jijontzielde
hijontzielde
wijontzielden
jullieontzielden
zijontzielden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ontzield
jijhad ontzield
hijhad ontzield
wijhadden ontzield
julliehadden ontzield
zijhadden ontzield

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ontzielen
jijzult ontzielen
hijzal ontzielen
wijzullen ontzielen
julliezullen ontzielen
zijzullen ontzielen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ontzield hebben
jijzult ontzield hebben
hijzal ontzield hebben
wijzullen ontzield hebben
julliezullen ontzield hebben
zijzullen ontzield hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ontzielen
jijzou ontzielen
hijzou ontzielen
wijzouden ontzielen
julliezouden ontzielen
zijzouden ontzielen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ontzield hebben
jijzou ontzield hebben
hijzou ontzield hebben
wijzouden ontzield hebben
julliezouden ontzield hebben
zijzouden ontzield hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijontziel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From ziel + ont- -en.

Additional Information