ontploffen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ontploffen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ontploffen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ontploffend
Past participle - Verleden deelwoord: ontploft

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikontplof
jijontploft
hijontploft
wijontploffen
jullieontploffen
zijontploffen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben ontploft
jijbent ontploft
hijis ontploft
wijzijn ontploft
julliezijn ontploft
zijzijn ontploft

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikontplofte
jijontplofte
hijontplofte
wijontploften
jullieontploften
zijontploften

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas ontploft
jijwas ontploft
hijwas ontploft
wijwaren ontploft
julliewaren ontploft
zijwaren ontploft

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ontploffen
jijzult ontploffen
hijzal ontploffen
wijzullen ontploffen
julliezullen ontploffen
zijzullen ontploffen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ontploft zijn
jijzult ontploft zijn
hijzal ontploft zijn
wijzullen ontploft zijn
julliezullen ontploft zijn
zijzullen ontploft zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ontploffen
jijzou ontploffen
hijzou ontploffen
wijzouden ontploffen
julliezouden ontploffen
zijzouden ontploffen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ontploft zijn
jijzou ontploft zijn
hijzou ontploft zijn
wijzouden ontploft zijn
julliezouden ontploft zijn
zijzouden ontploft zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijontplof

Translations

  • blow, to explode
  • detonate, to explode
  • explode, to explode (intransitive)
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    exploderen
    klappen, uiteenbarsten

    Sample Sentences

    Etymology

    From ont- + ploffen.

    Additional Information