onderscheiden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of onderscheiden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: onderscheiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: onderscheidend
Past participle - Verleden deelwoord: onderscheiden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikonderscheid
jijonderscheidt
hijonderscheidt
wijonderscheiden
jullieonderscheiden
zijonderscheiden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb onderscheiden
jijhebt onderscheiden
hijheeft onderscheiden
wijhebben onderscheiden
julliehebben onderscheiden
zijhebben onderscheiden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikonderscheidde
jijonderscheidde
hijonderscheidde
wijonderscheidden
jullieonderscheidden
zijonderscheidden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad onderscheiden
jijhad onderscheiden
hijhad onderscheiden
wijhadden onderscheiden
julliehadden onderscheiden
zijhadden onderscheiden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal onderscheiden
jijzult onderscheiden
hijzal onderscheiden
wijzullen onderscheiden
julliezullen onderscheiden
zijzullen onderscheiden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal onderscheiden hebben
jijzult onderscheiden hebben
hijzal onderscheiden hebben
wijzullen onderscheiden hebben
julliezullen onderscheiden hebben
zijzullen onderscheiden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou onderscheiden
jijzou onderscheiden
hijzou onderscheiden
wijzouden onderscheiden
julliezouden onderscheiden
zijzouden onderscheiden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou onderscheiden hebben
jijzou onderscheiden hebben
hijzou onderscheiden hebben
wijzouden onderscheiden hebben
julliezouden onderscheiden hebben
zijzouden onderscheiden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijonderscheid

Translations

  • difference, to distinguish or differentiate
  • differentiate, to show or be the distinction
  • differentiate, to perceive the difference
  • discern, to distinguish something as being different from something else; to differentiate
  • distinguish, to see someone or something as different from others
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afscheiden
    discrimineren, scheiden

    Sample Sentences

    • [...] verblijf van tien of twaalf dagen, kwam het mij in de gedachten, dat ik, bij gebrek van boeken en schrijfgereedschap, met de tijdtelling verward raken zou, en zelfs den zondag niet van de werkdagen onderscheiden kunnen. Om dit te voorkomen sneed ik met mijn mes op een grooten staak, met kapitale letters, het volgende opschrift: IK KWAM HIER AAN WAL DEN 30 SEPTEMBER 1659. en plaatste dit op een staak, in den [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] te geven, en dewijl de rede thans bij mij de overhand begon te krijgen, begon ik mij te troosten zoo goed ik kon en plaatste het goede tegenover het kwade, om mijn toestand van een nog ergeren te onderscheiden. Ik stelde dan zeer onpartijdig, als debiteur en crediteur, het goede, dat ik genoot, tegenover de rampen, die ik leed; op deze wijze: (Robinson Crusoe)
    • [...] poos als verplet, en daarna dankte ik God, met de uiterste aandoening en onder een vloed van tranen, dat Hij mij in een werelddeel had doen geboren worden, waardoor ik van zulke afschuwelijke wezens onderscheiden was, en dat, ofschoon ik mijn tegenwoordigen toestand zeer ongelukkig had geacht, ik meer reden tot dankbaarheid dan tot klagen had, en bovenal, dat ik vertroost was door de kennisse Gods en de hoop [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] moet nog vermelden, dat een uur of zoo voor zij vertrokken, zij aan het dansen gingen, en ik kon door mijn kijker al hunne gebaren en houdingen duidelijk zien. Zij waren geheel naakt, schoon ik niet onderscheiden kon of het allen mannen dan of er ook vrouwen bij waren. (Robinson Crusoe)
    • [...] dag werd en de lucht opklaarde, zag ik op een grooten afstand in zee een zeil of een romp van een schip. De afstand was te groot en het weder nog wat mistig, om met mijn kijker er meer van te kunnen onderscheiden. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From onder- + scheiden (“to separate”). Compare German unterscheiden. See: German, old spelling 'unterscheiden'.

    Verbs referencing "onderscheiden"

    German, old spelling unterscheiden.

    Additional Information