omklemmen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of omklemmen

The word "omklemmen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: omklemmen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: omklemmend
Past participle - Verleden deelwoord: omgeklemd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikklem om
jijklemt om
hijklemt om
wijklemmen om
jullieklemmen om
zijklemmen om

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb omgeklemd
jijhebt omgeklemd
hijheeft omgeklemd
wijhebben omgeklemd
julliehebben omgeklemd
zijhebben omgeklemd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikklemde om
jijklemde om
hijklemde om
wijklemden om
jullieklemden om
zijklemden om

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad omgeklemd
jijhad omgeklemd
hijhad omgeklemd
wijhadden omgeklemd
julliehadden omgeklemd
zijhadden omgeklemd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal omklemmen
jijzult omklemmen
hijzal omklemmen
wijzullen omklemmen
julliezullen omklemmen
zijzullen omklemmen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal omgeklemd hebben
jijzult omgeklemd hebben
hijzal omgeklemd hebben
wijzullen omgeklemd hebben
julliezullen omgeklemd hebben
zijzullen omgeklemd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou omklemmen
jijzou omklemmen
hijzou omklemmen
wijzouden omklemmen
julliezouden omklemmen
zijzouden omklemmen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou omgeklemd hebben
jijzou omgeklemd hebben
hijzou omgeklemd hebben
wijzouden omgeklemd hebben
julliezouden omgeklemd hebben
zijzouden omgeklemd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijklem om

Verbs similar to 'omklemmen'

Translations

  • clasp, take hold of; grab tightly
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From om- + klemmen.

    Additional Information