nummeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of nummeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: nummeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: nummerend
Past participle - Verleden deelwoord: genummerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iknummer
jijnummert
hijnummert
wijnummeren
jullienummeren
zijnummeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb genummerd
jijhebt genummerd
hijheeft genummerd
wijhebben genummerd
julliehebben genummerd
zijhebben genummerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iknummerde
jijnummerde
hijnummerde
wijnummerden
jullienummerden
zijnummerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad genummerd
jijhad genummerd
hijhad genummerd
wijhadden genummerd
julliehadden genummerd
zijhadden genummerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal nummeren
jijzult nummeren
hijzal nummeren
wijzullen nummeren
julliezullen nummeren
zijzullen nummeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal genummerd hebben
jijzult genummerd hebben
hijzal genummerd hebben
wijzullen genummerd hebben
julliezullen genummerd hebben
zijzullen genummerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou nummeren
jijzou nummeren
hijzou nummeren
wijzouden nummeren
julliezouden nummeren
zijzouden nummeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou genummerd hebben
jijzou genummerd hebben
hijzou genummerd hebben
wijzouden genummerd hebben
julliezouden genummerd hebben
zijzouden genummerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijnummer

Translations

  • page, mark the pages of
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch nommeren. Equivalent to nummer + -en.

    Additional Information