nestelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of nestelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: nestelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: nestelend
Past participle - Verleden deelwoord: genesteld

Cognates

See the 2 cognates of nestelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iknestel
jijnestelt
hijnestelt
wijnestelen
jullienestelen
zijnestelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb genesteld
jijhebt genesteld
hijheeft genesteld
wijhebben genesteld
julliehebben genesteld
zijhebben genesteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iknestelde
jijnestelde
hijnestelde
wijnestelden
jullienestelden
zijnestelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad genesteld
jijhad genesteld
hijhad genesteld
wijhadden genesteld
julliehadden genesteld
zijhadden genesteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal nestelen
jijzult nestelen
hijzal nestelen
wijzullen nestelen
julliezullen nestelen
zijzullen nestelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal genesteld hebben
jijzult genesteld hebben
hijzal genesteld hebben
wijzullen genesteld hebben
julliezullen genesteld hebben
zijzullen genesteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou nestelen
jijzou nestelen
hijzou nestelen
wijzouden nestelen
julliezouden nestelen
zijzouden nestelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou genesteld hebben
jijzou genesteld hebben
hijzou genesteld hebben
wijzouden genesteld hebben
julliezouden genesteld hebben
zijzouden genesteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijnestel

Translations

  • ensconce, to settle comfortably
  • nest, to build or settle into a nest
  • nest, to settle into a home
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • [...] bosch, en ontdekte dikwijls op deze togten veel, dat mij van nut was. Zoo vond ik eene soort van wilde duiven, die niet gelijk de houtduiven op boomen, maar als huisduiven in spleten van de rotsen nestelden. Ik nam eenige jongen mede en trachtte die tam te maken; maar toen zij ouder werden vlogen zij allen weg, misschien, omdat ik haar geen eten gaf, want ik had dit niet. Ik vond echter dikwijls hare [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] tamme zeevogels, wier naam ik niet kende, die ik op het strand gevangen en gekortwiekt had. De stekken, die ik om mijn muur geplant had, waren nu tot een digt bosch gegroeid, en daarin leefden en nestelden zij, hetgeen mij zeer aangenaam was. Aldus leefde ik zeer tevreden, behalve dat ik steeds door vrees voor de wilden geplaagd werd. Doch het was anders besloten, en het zal hier niet ongepast zijn [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch nestelen, from Old Dutch nistilon. Equivalent to nest + -elen. See: Old Dutch 'nistilon'.

    Verbs referencing "nestelen"

    English nestle.

    Additional Information