metselen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of metselen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: metselen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: metselend
Past participle - Verleden deelwoord: gemetseld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmetsel
jijmetselt
hijmetselt
wijmetselen
julliemetselen
zijmetselen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemetseld
jijhebt gemetseld
hijheeft gemetseld
wijhebben gemetseld
julliehebben gemetseld
zijhebben gemetseld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmetselde
jijmetselde
hijmetselde
wijmetselden
julliemetselden
zijmetselden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemetseld
jijhad gemetseld
hijhad gemetseld
wijhadden gemetseld
julliehadden gemetseld
zijhadden gemetseld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal metselen
jijzult metselen
hijzal metselen
wijzullen metselen
julliezullen metselen
zijzullen metselen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemetseld hebben
jijzult gemetseld hebben
hijzal gemetseld hebben
wijzullen gemetseld hebben
julliezullen gemetseld hebben
zijzullen gemetseld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou metselen
jijzou metselen
hijzou metselen
wijzouden metselen
julliezouden metselen
zijzouden metselen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemetseld hebben
jijzou gemetseld hebben
hijzou gemetseld hebben
wijzouden gemetseld hebben
julliezouden gemetseld hebben
zijzouden gemetseld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmetsel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch metselen.

Verbs referencing "metselen"

Sranan mesre.

Additional Information