marren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of marren

The word "marren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: marren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: marrend
Past participle - Verleden deelwoord: gemard

Cognates

See the 3 cognates of marren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmar
jijmart
hijmart
wijmarren
julliemarren
zijmarren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemard
jijhebt gemard
hijheeft gemard
wijhebben gemard
julliehebben gemard
zijhebben gemard

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmarde
jijmarde
hijmarde
wijmarden
julliemarden
zijmarden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemard
jijhad gemard
hijhad gemard
wijhadden gemard
julliehadden gemard
zijhadden gemard

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal marren
jijzult marren
hijzal marren
wijzullen marren
julliezullen marren
zijzullen marren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemard hebben
jijzult gemard hebben
hijzal gemard hebben
wijzullen gemard hebben
julliezullen gemard hebben
zijzullen gemard hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou marren
jijzou marren
hijzou marren
wijzouden marren
julliezouden marren
zijzouden marren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemard hebben
jijzou gemard hebben
hijzou gemard hebben
wijzouden gemard hebben
julliezouden gemard hebben
zijzouden gemard hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmar

Verbs similar to 'marren'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "marren"

English mar.

Additional Information